header_gynaecologie
Externe folders
  •  Het uitstrijkje 
  •  De uitslag 
  •  Afwijkend? 
  •  Behandeling 
  •  Nacontrole 

Bij een uitstrijkje wordt met een borstel of spatel cellen van de baarmoedermond afgenomen. Aan het uitstrijkje is te zien of er aanwijzingen zijn voor (een voorstadium van) baarmoederhalskanker. Als in het uitstrijkje afwijkende cellen worden gezien, wordt een nieuw uitstrijkje gemaakt of vindt er verder onderzoek plaats: colposcopie (vertaling=kijken naar baarmoedermond). Bij een colposcopie bekijkt de gynaecoloog de baarmoedermond met een microscoop en neemt zo nodig een stukje weefsel weg. Het is ook mogelijk dat u behandeld wordt met een lis-excisie of conisatie: het wegnemen van een kegelvormig stukje weefsel van de baarmoedermond. Het voorstadium van baarmoederhalskanker is eenvoudig te ontdekken en te behandelen. De kans op baarmoederhalskanker is zeer klein bij zo'n voorstadium.

Wat is een uitstrijkje
Een uitstrijkje wordt gemaakt tijdens een inwendig onderzoek. Met behulp van een borsteltje worden cellen van de baarmoedermond afgehaald en in een potje met vloeistof gedaan. De patholoog onderzoekt de cellen onder de microscoop. Het duurt ongeveer 14 dagen voordat de uitslag bekend is.

Waarom wordt een uitstrijkje gemaakt?
Met een uitstrijkje kan de arts nagaan of er afwijkende cellen zijn. Dat zou kunnen betekenen dat u een voorstadium van baarmoederhalskanker hebt. Een uitstrijkje maken is niet moeilijk. Bij afwijkingen aan de cellen kan met een eenvoudige behandeling worden voorkomen dat later baarmoederhalskanker zou kunnen ontstaan.

Wanneer wordt een uitstrijkje gemaakt?
Alle vrouwen tussen de dertig en zestig jaar krijgen via het bevolkingsonderzoek eenmaal in de vijf jaar een oproep om bij de huisarts een uitstrijkje te laten maken.

Een uitstrijkje zal vaak afgenomen worden bij klachten van onregelmatige menstruaties, bloederige afscheiding, bloedverlies een jaar na de laatste menstruatie, of bloedverlies tijdens of na seksueel contact.

Soms geeft een uitstrijkje geen duidelijk beeld. Als u menstrueert kunt u het uitstrijkje beter na het stoppen van de menstruatie laten maken. Bent u zwanger of geeft u borstvoeding, dan wordt soms geadviseerd af te wachten tot een half jaar na de bevalling of na het stoppen met de borstvoeding.

Hoe wordt een uitstrijkje gemaakt?
U ligt in de beensteunen. De arts of de physician assistant/verpleegkundige brengt een spreider (speculum) in de schede en draait een borsteltje of spateltje rond in de baarmoedermond.
De cellen die dan los komen, worden op een glasplaatje uitgestreken of in een potje met vloeistof gedaan.
Het onderzoek doet in principe geen pijn. Ziet u er tegenop, vertel dat dan aan de arts. Soms bloedt de baarmoedermond iets na het aanraken en kunt u korte tijd wat bloederige afscheiding hebben.

Wat betekent de uitslag
De baarmoederhals bevat twee soorten cellen: plaveiselcellen en cilindercellen. Beide soorten moeten in principe in het uitstrijkje aanwezig zijn. De plaveiselcellen bekleden de buitenkant van de baarmoederhals en de schede, de cilindercellen bekleden de binnenkant van de baarmoederhals. Het gebied tussen deze twee soorten cellen heet de overgangszone. Van deze overgangszone neemt de arts de cellen af. Of de overgangszone meer naar binnen of naar buiten zit, hangt af van uw leeftijd en uw cyclus. Ook hormonen hebben hier invloed op. Het uitstrijkje kan ook nagekeken worden op een infectie of een ontsteking door bacteriën of virussen.

Tegenwoordig gebruikt men voor de beoordeling van het uitstrijkje meestal de KOPAC-uitslag. KOPAC is een afkorting van Kwaliteit, Ontsteking, Plaveiselcellen, Andere afwijkingen en Cilindercellen. Ook gebruikt men wel de uitslag volgens Papanicolaou. Die wordt de Pap-uitslag genoemd. De KOPAC-uitslag loopt per letter van 0 tot 9, de Pap-uitslag van 1 tot 5. Hoe hoger het cijfer hoe meer afwijkend het uitstrijkje is.

De cellen zijn normaal
Een normale uitslag betekent dat alle cellen goed zichtbaar zijn in het uitstrijkje en er normaal uitzien. Een normale uitslag is P1 en/of Pap 1.

De cellen zijn niet goed te beoordelen
Soms is de uitslag van het uitstrijkje niet goed te beoordelen.

  • Er zit bijvoorbeeld te veel bloed bij de cellen.
  • Er zijn te weinig cellen.
  • De cilindercellen kunnen ontbreken omdat de cilindercellen dieper in de baarmoederhals zitten en niet altijd met de borstel of de spatel kunnen worden afgenomen.

Meestal wordt bij de uitslag beschreven hoe het komt dat het uitstrijkje niet goed te beoordelen was. Soms wordt zo'n uitslag een Pap 0 genoemd.

De cellen zijn afwijkend
Een afwijkende uitslag betekent zeker niet altijd dat er iets ernstigs aan de hand is. Sommige afwijkingen kunnen vanzelf verdwijnen. Bij een uitslag Pap 2 of volgens KOPAC P2 tot en met P4 krijgt u daarom het advies na zes maanden of een jaar een nieuw uitstrijkje te laten maken. Soms is verder onderzoek door de gynaecoloog nodig. Dat is het geval bij een uitslag P5 en soms ook bij een hoger cijfer van een andere letter van de KOPAC-indeling en bij een Pap 3 of tweemaal achter elkaar een Pap 2. Ook dit betekent zeker niet direct dat er iets ernstigs aan de hand is.

Indien u verwezen wordt door de huisarts dan krijgt u bij ons direct een combinatie afspraak; u komt eerst op de polikliniek langs en dezelfde ochtend heeft u een afspraak op het behandelcentrum voor een colposcopisch onderzoek en eventueel directe behandeling.

Een afwijkende uitslag
De uitslag is afwijkend bij vijf van de honderd vrouwen die bij het bevolkingsonderzoek een uitstrijkje laten maken, maar zelf geen klachten hebben. Bij kleine afwijkingen hebt u minder dan tien procent kans op een voorstadium van baarmoederhalskanker. Deze kans neemt toe als de afwijkingen groter zijn. Zijn de cellen erg afwijkend, dan hebt u ongeveer negentig procent kans op een voorstadium van baarmoederhalskanker. Ook dan is de kans op baarmoederhalskanker klein. Een voorstadium is goed en eenvoudig te behandelen.

Hoe ontstaan de afwijkingen in de cellen
Hoe het komt dat de cellen in de baarmoedermond afwijkingen krijgen, is niet helemaal duidelijk. Wel is bekend dat afwijkingen in de cellen iets te maken hebben met een infectie met het humaan papillomavirus (HPV). Van dit virus bestaan verschillende soorten. Sommige soorten veroorzaken wratten, andere soorten komen vaker voor bij afwijkende uitstrijkjes. Het virus wordt door geslachtsgemeenschap verspreid. Verreweg de meeste vrouwen die seksueel contact hebben (tachtig tot negentig procent) worden geïnfecteerd met HPV. Deze infectie geeft geen klachten en geneest bij veel vrouwen vanzelf. Enkele vrouwen houden het virus bij zich en worden dus drager. Sommige soorten van dit virus geven een verhoogd risico op het ontstaan van baarmoederkanker.

Een afwijkend uitstrijkje: hoe nu verder
Het hangt af van de uitslag welk advies u krijgt: een nieuw uitstrijkje of verder onderzoek bij de gynaecoloog. Bij dit vervolgonderzoek kijkt de arts bijna altijd eerst met een microscoop naar de baarmoedermond. Dit wordt colposcopie genoemd. Bij afwijkingen neemt de arts wat weefsel van de baarmoedermond af; een klein stukje (een biopt) of afhankelijk van de bevindingen meteen een wat groter stukje om zo de gehele afwijking te verwijderen.



Hoe verloopt een colposcopie en/of lisexcisie
- Het onderzoek wordt verricht op het behandelcentrum. Hier zijn ook een verpleegkundige en een assistente aanwezig om u te begeleiden en uitleg te geven en om de gynaecoloog de benodigdheden aan te geven.
- U ligt in de beensteunen. De gynaecoloog plaatst een speculum (spreider, eendebek) in de schede. 
- De microscoop staat voor u, voor de schede.
- Om het weefsel beter te kunnen beoordelen maakt de gynaecoloog de baarmoedermond nat met een soort jodium en een sterk verdunde azijnoplossing. 
- De gynaecoloog bekijkt de baarmoedermond en baarmoederhals en probeert de overgangszone goed te overzien en beoordeelt de plaveiselcellen en de cylindercellen.
- Als u wilt, kunt u zelf meekijken op een televisiescherm.
- Het onderzoek vindt niet plaats gedurende de menstruatie.

Ziet u erg tegen het onderzoek op, vertel dat dan aan de gynaecoloog. 

Biopsie 
Zijn er kleine afwijkingen te zien, dan neemt de gynaecoloog met een kleine tangetje een of meerdere stukjes weefsel uit het afwijkende gebied. Dat kan even pijn doen. De dokter kan u vragen om te hoesten of om in uw handen te knijpen op het moment dat het weefsel wordt afgenomen. Dan voelt u de pijn minder. 

Lis-excisie (LLETZ)
Bij een lis-excisie neemt de arts een stukje weefsel van de baarmoederhals weg. 
- U krijgt een prikje om de baarmoedermond plaatselijk te verdoven. Dat kan even pijn doen. 
- U krijgt een plastic plakker op uw been (als aardeplaat) om de stroom te geleiden.  
- De gynaecoloog gebruikt voor het wegnemen (excisie) een dunne metalen lis, die elektrisch verhit wordt.  
Van de lis-excisie zelf voelt u meestal niets. Wel geeft het wegbranden soms een onaangenaam geluid of een branderige geur. U kunt wat rook zien. 


Na de colposcopie/behandeling
Door een biopsie of lisexcisie ontstaat een klein wondje dat kan bloeden. Meestal is de bloeding heel licht en is een maandverband voldoende. Soms kan de gynaecoloog een stokje tegen het bloedende gebied aanhouden om het bloeden te verminderen. U voelt dan wat lichte krampen in de onderbuik. Blijft het wondje dan nog bloeden, dan kunt u of kan de gynaecoloog een tampon in de schede brengen die u thuis weer kunt weghalen. Het bloedverlies verdwijnt meestal vanzelf binnen een week tot tien dagen. Duurt het langer of is het meer dan een gewone menstruatie? Neem dan contact op met de polikliniek gynaecologie. Telefoonnummer: 0515-488983.  

Zolang u bloedverlies of bloederige afscheiding heeft, adviseren we u:
- geen seksueel contact te hebben
- niet te zwemmen of in bad te gaan
- geen tampons te gebruiken
- de patholoog onderzoekt het weefsel onder de microscoop. De uitslag is er na 1 tot 2 weken
- de gynaecoloog of physician assistant/verpleegkundige zal de uitslag met u bespreken tijdens een belafspraak.


Als alle uitslagen bekend zijn bespreekt de gynaecoloog, de physician assistant of de verpleegkundige met u hoe de controles zullen verlopen. U krijgt advies een nieuw uitstrijkje te laten maken, na een half jaar, na één jaar en na twee jaar. Soms wordt geadviseerd om de colposcopie te herhalen.

Bij 9 van de 10 vrouwen met een afwijkend uitstrijkje, wordt het uitstrijkje weer normaal. Soms laat het uitstrijkje, ook na behandeling, nog steeds afwijkingen zien. Bij de helft van deze langer bestaande afwijkingen wordt het vanzelf alsnog normaal. Als het uitstrijkje afwijkend blijft, dan adviseert de gynaecoloog opnieuw colposcopie.

Let op! U moet voor deze herhaaluitstrijkjes zelf een afspraak maken op de polikliniek gynaecologie. U krijgt hiervoor geen oproep. Telefoonnummer: 0515-488983. U krijgt dan een afspraak bij de physician assistant of de verpleegkundige.

Contact